12 Kislew 5781 | 27 November 2020
Artikelen
Jodendom in praktijk     Hasjkafa     Feest- en Gedenkdagen     Samenleving     Geschiedenis     Antisemitisme     Israël     Media     Publicisten     
De periode van de Tannaiem (10-217 n.d.g.j.)
Publicatiedatum: Wednesday 19 November 2003 Auteur: Redactie | 7.589 keer gelezen
Halacha, Geschiedenis/Gebeurtenissen, Redactie, Talmoed Tora »

De periode van de Tannaiem duurde ongeveer 210 jaar. Vanaf deze periode werd voor leraar het woord Rabbi en voor de voorzitter van het Sanhedrin werd het woord Rabban gebruikt. Een Tanna (Aramees) was, zoals we in hoofdstuk 1 al aangaven, een leraar in de Misjnàh. In de Misjnàh kan je dit woord niet vinden, daar de Misjnàh gebruik maakt van Rabbi of rabban. I.p.v. een groep geleerden, Tannaiem, gebruikt de Misjnàh de term Chagamiem. De periode van de Tannaiem is in 5 of 6 generaties te delen.

 

De 1e generatie: 10-80 n.d.g.j.

  1. scholen van Hilleel en Sjammai (Beet)
  2. Akawjaben Mehalaleel
  3. Rabban Gamliëel de Oudere (Hazzakeen)
  4. Rabbi Chanina, plaatsvervangend hoofd van de priesters
  5. Rabbi Jochanan ben Zakkai
  6. Rabbi Tsadok
  7. Abba Sja´oel ben Botniet
  8. Nachoem iesj Gamzoe
  9. Rabbi Nechoenja ben haKanè

Ondanks dat met de verwoesting van de 2e Tempel Israël haar zelfstandigheid verloor, is het Jodendom nooit vernietigd.

Rabbi Jochanan ben Zakkai
De beroemdste en jongste leerling van Hilleel was Jochanan ben Zakkai. Door een slimme list kwam hij uit de door de romein Titus Vlavius Vespasianus (9-79 n.d.g.j.) bezette Jeruzalem. Jochanan deed dit met 2 leerlingen. Jochanan kwam Vespasianus buiten Jeruzalem tegen en begroette hem met ´Ave Caesar´. Vespasianus werd boos en zei dat hij 2 redenen had om Jochanan te doden: ´ten 1e noem jij mij Caesar, terwijl ik de Caesar niet ben en ten 2e: als ik in jouw ogen de keizer zou zijn, waarom ben je dan niet eerder gekomen?´ Rabbi Jochanan was niet bepaalt onder de indruk en antwoordde hem: `dat u geen Caesar bent, kan niet waar zijn. Want als u geen keizer zou zijn, dan zou Jeruzalem niet onder uw leiding veroverd worden. Er staat nl in Yeshayahu/Jesaja 10:34: Het dichte woud wordt met de bijl gedund, de reuzen van de Libanon vallen. Met Libanon wordt de Tempel bedoelt en met de bijl wordt een koning of keizer bedoeld. En waarom ik niet eerder gekomen ben? Niemand wordt door de vertegenwoordigers toegelaten de stad te verlaten.´ Terwijl Vespasianus en Rabbi Jochanan aan het praten waren, kwam een bode uit Rome met de mededeling dat Vespasianus benoemd was tot Caesar. Rabbi Jochanan mocht van Vespasianus een wens doen. Hij wenste dat de stad Javne ter beschikking werd gesteld met al haar geleerden. En ook wilde de Rabbi dat  de familie van rabban Gamliëel (familie van de Sanhedrin-vorsten) in leven werden gelaten èn enkele doktoren om Rabbi Tsadok te genezen. Rabbi Tsadok voorzag de verwoesting van de Tempel en vastte maar liefst 40 jaar. Babylonische Talmoed Gittien 55-57

Vespasianus was de eerste keizer die niet uit de oude Romeinse aristocratie stamde; hij was afkomstig van het platteland van Midden-Italië. Buiten de Senaat werd zijn bestuur algemeen gewaardeerd. Hij was o.a. de bouwer van het Colosseum. 

Javne
Omdat Jeruzalem verwoest werd en men hierdoor hun Joodse tradities niet kon voortzetten, werd het hele hebben en houwen verhuisd naar Javne, naar wens van Rabbi Jochanan ben Zakkai. Men ging ervoor waken dat het geestelijk erfgoed van Israël bewaard bleef. Rabban Gamliëel was nog minderjarige en hierdoor stond Jochanan aan het hoofd van het  door hem gestichte Sanhedrin. Maar uit bescheidenheid nam hij in plaats van de titel Nassi de titel Aw-Beet-dien aan.

Rabbi Jochanan ben Zakkai had een groot streven. Zijn streven was de eenheid binnen het Jodendom vast te houden. Zijn opvolger Gamliëel II zette dit met een krachtige hand voort. Ondertussen werd Titus Vlavius Vespasianus opgevolgd door zijn broer Titus Vlavius Domitianus (51-96). Hij onderdrukte de Joden door bepaalde belastingen op te leggen, de fiscus Judaicus. Het Jodendom werd geestelijk en fysiek bedreigd en men werd zelfs vijandig bejegend door Joodse-christenen. Uiteindelijk sloot deze Joods/Christelijke groep aan bij de heidense Christenen, met alle gevolgen van dien!

Rabbi Jochanan stierf op leeftijd van 120 jaar in de armen van zijn leerlingen met de woorden: ´dat de vrees voor G´d even groot moge zijn als uw vrees voor de mensen´.

Nachoem iesj Gamzoe
Nachoem was vooral bekend door zijn toepassing van de regel van ribboej en mioet. Dat zijn de extensie (uitgebreid) en de restrictie (beperkt) bij de Tora-interpretatie. Het schijnt dat in de Tora zelf aanwijzingen te vinden zijn van deze 2 interpretaties. We gaan een voorbeeld geven ribboej- en mioet -interpretatie geven.

De mioet: ´maar Mijn sabbatten moet gij onderhouden´. Sjemot/Exodus 31:13 (NBG-vertaling die overeenkomst met de Joodse). Het moeilijk te plaatsen woordje ´maar´ is volgens de Talmoed een beperking bij de inachtname van de Sabbath. Soms is het toegestaan deze wetten te overtreden (zie hoofdstuk 1 Tijdelijke suspensie van een mitswa).

De ribboej: ´Zo zult ook gij een heffing ter ere van de Eeuwigen afzonderen van al uw tienden, die gij ontvangen zult van de kinderen Israëls, en zult gij de heffing ter ere van de Eeuwige daarvan aan Aharon, de priester, geven.´ Ba-Midbar/Numeri 18:28 (Joodse vertaling). Dit betekent ook voor de Levieten. Zij ontvingen van het volk een tiende als heffing. Dat moesten zij afstaan aan de priester. De Halachische interpretatie van deze vers is anders: het woordje ´ook´ (gam) zou bedoelen dat niet alleen de Levieten zelf het tiende van het tiende, maar dat ze dit konden laten gebeuren d.m.v. een vertegenwoordiger of zelfs iemand anders kan dit doen in deze opdracht. Dus de vertegenwoordiger wordt beschouwd als de verlengstuk en handlanger van de opdrachtgever.

De 2e generatie: 80-120 n.d.g.j.
Deze generatie duurde om en nabij 40 jaar.

  1. Rabban Gamliëel II
  2. Rabbi Dosa ben Harchinas
  3. Rabbi Eliëzer ben Ja´akov
  4. Rabbi Eliëzer ben Hyrkanos
  5. Rabbi Jehoesjoea ben Chananja
  6. Rabbi Elazar ben Azarja
  7. Rabbi Jehoeda ben Betera
  8. Rabbi Jose haKoheen
  9. Sjimon haPakoli
  10. Rabbi Elazar uit Modiïn

Rabbi Gamliël II, die uit een farizeese gemeenschap van de tanna´iem komt, van rabbi Hillel, heeft de Halachàh geschreven. Halachàh betekent ‘weg' en het woord staat voor de dagelijks praktijk, de wetsbepaling en de praktische richtsnoeren voor het G´dsdienstig leven.

Rabbi Eliëzer ben Hyrkanos
In deze tijd ontstonden agressieve sekten als de Kaïnieten. Een gnostische sekte, zich noemend naar Kajin, de zoon van Adam. De leden van deze sekte beschouwden Kajin, Esaw, Korach en de bewoners van Sedom en Amorra (Sodom en Gomorra) als hun grootste profeten. Tot hun heilige boeken behoorde een Evangelie van Y´huda Iskariot. De Joden baden in hun dagelijks gebed voor hulp tegen deze gevaarlijke sekten. Ook dreigde het Jodendom ten onder te gaan door de verschillen binnen deze gemeenschap door de Beet Sjammai en Beet Hilleel. Rabban Gamliëel was een onverbiddelijke voorzitter. Hij heeft zijn eigen zwager, Rabbi Eliëzer ben Hyrkanos, verbannen. Rabbi Jochanan ben Zakkai zei eens over Rabbi Eliëzer:´als alle wijzen van Israël in een weegschaal zouden liggen en Rabbi Eliëzer in de andere, dan zou hij qua kennis tegen allen opwegen´. Pirké Awot II:8. De steen waar Rabbi Eliëzer op les gaf, noemde men de Sinaï en hij werd zelf de Verbondsark genoemd.

Rabbi Jehosjoea ben Chananja
Deze Rabbi was anders. Zoals Rabbijn Evers in zijn boek ´de echte Tora´ prachtig schreef: ´hij was qua uiterlijk door de natuur niet fraai bedacht´. Toen de dochter van de keizer hem vroeg hoe het mogelijk was dat een wijs man als hij zo afzichtelijk lelijk kon zijn, vroeg hij of haar vader de beste wijn in gouden kruiken bewaarde (Babylonische Talmoed ta´aniet 7a). Hij was ook vaak niet met Rabban Gamliëel eens, maar had wel eerbied voor hem en deed wat er gevraagd werd. Rabban Gamliëel kuste hem eens op zijn hoofd en zei dat hij Rabbi Jehosjoea als zijn leraar in wijsheid en als zijn leerling omdat hij de opdrachten uitvoerde in vrede verwelkomde.

Rabbi Elazar ben Azarja
Door de goedbedoelde harde hand van Rabban Gamlieël, was men hem op een geven moment zat. Op jeugdige leeftijd (18) werd Rabbi Elazar ben Azarja, afstammeling van Ezra (Babylonische Talmoed Berachot 28b), de voorzitter. Ondanks de afzetting bleef Rabban Gamliëel de leerschool bezoeken. Dit was uit liefde voor het Jodendom. Toen hij om verzoening vroeg, heeft niemand hem dat geweigerd. Toch schafte Rabbi Elazar direct een toch wel strenge regel van Rabban Gamliëel af. De regel luidde dat een ieder waarvan zijn uiterlijke niet met zijn innerlijke overeen kwam, niet welkom waren in de leerschool. Maar die verzoening deed Rabbi Elazar heel veel. Hij maakte ruimbaan voor Rabban Gamliëel en Rabbi Elazar werd vice-voorzitter. Babylonische Talmoed Berachot 28a.

Akylas
Dit verhaal willen we je niet onthouden. Toen Publius Aelius Hadrianus (76-138 n.d.g.j. en bouwer van het Pantheon) keizer was, kwam zijn neef Akylas bij hem langs om raad. Hij vroeg wat hij moest gaan kopen als hij succesvol koopman zou willen worden. Ondanks de keizer hem aanbood bij hem te blijven zodat hij alles zou hebben wat zijn hartje zou begeren, weigerde Akylas het aanbod en bleef bij zijn besluit en wilde liever een goede raad van de keizer. De keizer antwoordde dat hij waren moest kopen die nu niet gewild is, maar morgen grote winsten zal opleveren. Zo gezegd zo gedaan. Na een onbepaalde tijd keerde Akylas bij de keizer terug en de keizer schrok hevig van zijn neef. Hij zag er sterk vermagerd en doodmoe uit. Hij trok de conclusie dat de missie mislukt was. Akylas zei hierop: ´Ik ben moe en vermagerd door de vele nachten studie van de Tora. Ik ben n.l. Joods geworden.´ De keizer werd boos en begreep er niets van. Akylas antwoordde dat hij zijn raad opgevolgd had door juist bij het volkje aan te sluiten waarvan men zei dat er geen volk minder is dan het Joodse volk. Hij heeft de leer van Israël bestudeerd en het Jodendom aangenomen. Akylas vertrok weer en de keizer stuurde mannen op hem af om hem terug te halen en hem te straffen. Toen deze mannen Akylas gevonden had, begon Akylas met hen te discussiëren over het Jodendom. En warempel, deze mannen bekeerden zich ook tot het Jodendom. Toen de keizer dit hoorde, zond hij een nieuwe groep mannen op Akylas af en verbood hen om over g´dsdienst te praten. Akylas ging met de mannen mee en onderweg kwamen ze langs een huis met een mezoeza aan de deurpost. Akylas bleef staan. De mannen van de keizer vroegen hem wat voor voorwerp de mezoeza is. Akylas legde hen uit dat iedere koning in zijn vertrek op zijn troon zit en dat de wachters buiten staan, maar bij de Koning der koningen is het andersom: Hij houdt buiten bij de ingang de wacht, zodat de Joden binnen beschermd zijn. Dit n.a.v. Tehillim/Psalm 121:8 (Statenvertaling): De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid. De mezoeza is een teken van dit gegeven, legde Akylas hen uit. De mannen waren zeer getroffen door Akylas´ woorden en ook zij bekeerden zich tot het Jodendom. De keizer heeft geen mannen meer gestuurd. Stel je voor dat zijn hele volk tot het Jodendom zou bekeren...

De 3e generatie: 120-139 n.d.g.j.

  1. Rabbi Tarfon
  2. Rabbi Jisjmaëel (ben Elisja)
  3. Rabbi Akiba ben Jozef
  4. Rabbi Jochanan ben Noeri
  5. Rabbi José ha-Gelili
  6. Rabbi Sjimon ben Nanos
  7. Rabbi Jehoeda ben Bawa
  8. Rabbi Jochanan ben Baroka
  9. Rabbi Jonatan
  10. Abba Chanien

Sommige waren al in de vorige generatie actief.

Akiwa
Akiwa hebben we, net als Rabbi Jehosjoea ben Chananja, ook in andere FAQ-verslagen besproken. Rabbi Akiwa ben Joseef is geboren uit een gezin van proselieten. Toen hij jong was, had Akiwa niet gestudeerd (am-ha´arets: ongeletterd) en werd herder bij een rijke man die Kalba Sawoea heette. Hij werd verliefd op zijn dochter Racheel en zij op hem. Inmiddels was Akiwa al reeds 40 jaar. Zijn werkgever, dus de vader van Racheel, was er helemaal niet blij mee, maar het paar drukte hun zin door. Uiteindelijk gaf haar vader toe, mits Akiwa de Tora zou bestuderen en dan wel buitenshuis. Hierdoor hadden ze het extreem arm. Rabbi Eliëzer ben Hyrkanus en Nachoem iesj Gamzoe waren de belangrijkste leraren voor Akiwa. Toen Akiwa over voldoende kennis beschikte, stichtte hij zijn eigen leerschool (jesjiewa) en Bné Barak. Hoe Rabbi Akiwa met het Woord omging, spreekt ons erg aan. Geen woord in de Tora was in zijn ogen overtollig, dus ook niet toevallig. Hierdoor was Akiwa in staat de belemmering tussen de Mondelinge en de Geschreven Wet te laten verdwijnen. Hij was instaat iedere Halacha terug te vinden in de Tora. Ook ontwikkelde Akiwa systemen om de oude tradities beter te kunnen onthouden en deze systemen vormen samen de Misjnàh van Rabbi Akiwa. Zijn indeling en reorganisatie werd het bakermat van de Misjnàh van Rabbi Jehoeda Hannassi. Omdat Akiwa er heilig van overtuigd was dat de Tora van G´d Zelf kwam, bestond er in zijn ogen, zoals we reeds aangaven, geen overbodige woorden en letters. In de Babylonische Talmoed Menachot 29b kun je lezen dat hij zelfs de kroontjes op de letters van Tora kon uitleggen (zie Sefer Jetsiràh 1:11). Akiwa was, net als wij, van mening dat de Tora niet op een menselijke wijze uitgedrukt kan worden, omdat wij in het dagelijks leven meer woorden gebruiken dan dat het nodig is. Dit geeft in feite onze beperking en G´ds onbeperking weer. Wat ook erg opmerkelijk is, is het feit dat Akiwa van mening was dat een herhaling (denk aan een verbindende waw/waw copulativum) op een extensieve, dus bredere, interpretatie duidde. Een restrictieve interpretatie zag hij onder meer in het aanwijzend voornaamwoord en lidwoord. Akiwa was een belangrijk figuur m.b.t. de Halacha. Akiwa´s leerschool kende 24.000 leerlingen. Zijn aanpak werd vergeleken met iemand die graansoorten in een grote zak doet en vervolgens alles op soort sorteert. Awot de Rabbi Natan 18.

Rabbi Jisjmaëel
Rabbi Jisjmaëel was 1 van de vele mensen die met Akiwa niet eens was. Hij vond dat Akiwa te ver ging in zijn Halacha exegese. Hij vond het overdreven en onnodig om een Halacha in iedere herhaling te zien. Deze Rabbi werd bekent om zijn dertien interpretatieregels. Zeven daarvan zijn ontleend van de zeven interpretatieregels van Hilleel. Rabbi Jisjmaëel had ook wijze uitspraken waarvan we enkele weergeven: ´In navolging van de Tora moet een ieder zich altijd op nette wijze uitdrukken en geen grove taal bezigen´. (Babylonische Talmoed Pesachiem 3a). ´Waarom is het (kraakbeen) van het oor hard en het oorlelletje zacht? Dit is opzettelijk zo geschapen; indien u iets onbetamelijks ter ore komt, kunt het oor dichtstoppen met het oorlelletje!´(Babylonische Ketoewot 5b).

De dood van de 10 Misjnàhgeleerden van de 3e generatie
T.t.v. Hadrianus werden deze 10 Misjnàhgeleerden op een afschuwelijke wijze geëxecuteerd. Van Akiwa is het volgende bekent: Rabbi Akiwa werd door Romeinse legionairs terecht gesteld, zijn vlees werd met ijzeren kammen gekamd. Hij nam echter gewillig het juk van de heerschappij van God op zich en bad - tijdens de meest wrede folteringen - het "SJEMA ISRAËL" waarop de Talmoed vervolgt: 'toen zeiden zijn leerlingen tot hem: Rabbi, spreek niet verder (uw gebed), laat het genoeg zijn. Hij ging echter door met bidden en ademde het slotwoord: (onze God is) EEN zo langgerekt uit dat hem zijn adem tijdens het uitspreken van dit woord verliet. Toen spraken de dienende engelen tot God: "is dat de Torah en dat haar loon?" Daarop sprak een stem uit de Hemel: "Heil u, Rabbi Akiwa, want gij zijt voor het leven in de komende wereld bestemd". Babylonische Talmoed Berachot 61b. Of alle 10 dezelfde executie kregen, is ons niet bekend. Volgens de Babylonische Talmoed Sanhedrin 14a  en Awoda zara 8b, 18 en 18b is de volgende reden waarom deze ´10 martelaren´ geëxecuteerd werd. De 9 andere martelaren vroegen aan Rabbi Jisjmaëel of hij in de Hemel aan G´d wilde navragen waarom hun lot deze gruwelijke dood moest zijn. De Rabbi reinigde zichzelf, trok zijn gebedskleed aan en deed zijn gebedsriem om en sprak de Tetragrammeton van G´d uit: JHVH. Toen de Rabbi in de Hemel kwam, kwam hij aartsengel Gavri´el (Gabriël) tegen. Gavri´el kon de Rabbi uitleggen dat de 10 martelaren inderdaad deze marteldood verschuldigd waren. Op de vraag waarom G´d dit toe zou laten, antwoordde Gawriëel hem dat het om het verkoop van Joseef (Jozef) was. Joseef werd door zijn 10 broers (de stamvaders van Israël) uit jaloezie aan Ismaëlieten verkocht. Rabbi Jisjmaëel was verbaasd en vroeg of G´d in al die tijd geen zoenoffer heeft. Gavri´el antwoordde ontkennend en voegde eraan toe: ´Sinds die tijd zijn er geen met de 10 stamvaderen vergelijkbare Tsaddikiem (heiligen) geweest, die door hun dood deze misdaad zouden kunnen verzoenen.´ Rabbi Jisjmaëel ging na deze woorden weer terug en gaf het aan de 9 andere martelaren door. Hieromtrent hadden zij gemengde gevoelens: enerzijds konden ze er hard om huilen omdat ze op deze manier aan hun einde zou komen, maar aan de andere kant waren ze heel blij, omdat zij gelijk met de stamvaders werden gezien.

De 4e generatie: 139-163 n.d.g.j.

  1. Rabbi Meïr
  2. Rabbi Jehoeda bar Ilaï
  3. Rabbi Sjimon bar Jochai
  4. Rabbi José bar Chalafta
  5. Rabbi Elazar ben Sjamoea
  6. Rabbi Jochanan Hassandlar
  7. Rabbi Elazar ben Ja´akow
  8. Rabbi Nechemja
  9. Rabbi Jehoesjoea ben Korcha
  10. Rabbi Sjimon ben Gamlieël

De Bar-Kochba-oorlog
Simon bar-Kosiba (Bar-Kochba) was een Joods verzetsstrijder en leider van de grote - laatste - opstand van de Joden tegen de Romeinen in 132 n.d.g.j. Bar-Kochba was moedig, mooi en verstandig en zijn naam betekende 'zoon van de sterren'. Deze man riep, 60 jaar na de verwoesting van de 2e Tempel, Joodse jongemannen op om zich te verzetten tegen de Romeinse overheersing. Om op hun dapperheid te testen moesten zij een vinger van hun hand bijten. Wie dat op kon brengen mocht zich aansluiten bij zijn leger. De wijze mannen van de Joden kreeg dit te horen en stelde aan Bar-Kochba een andere proef voor: degene die te paard een boom uit de grond kon treken, mochten zich aansluiten aan zijn leger. Bar-Kochba vond het een goed plan en 200.00 man kwamen door de test. Nu moesten Bar-Kochba nog een hoofdkwartier stichten en bedacht dat Betar wel een goede plek als hoofdkwartier was. Waarom? Dit stadje was behoorlijk anti-Romein gezind. Dat Bar-Kochba overmoedig raakte van zijn heldendaden, uitte zich doordat hij tegen G´d zei: "Heer, ik heb je hulp niet nodig. Ik en mijn soldaten kunnen onze vijanden wel aan. Maar ik verzoek u vriendelijk niet mijn vijanden een handje te helpen." Door zijn overmoed zou hij door G´d gestraft zijn. De vijand bestormde Betar. Maar hij werd niet gedood door de vijand. Men vond hem met een reuzenslang om zijn strot. De dood kwam uit de Hemel, niet uit mensenhanden. (Echa Rabbati 2, 4; Gittin 57a). Rabbi Akiwa noemde Simon bar Kosiba de Messias. Dit n.a.v. de betekenis van zijn naam, sterrenzoon, het feit dat hij zich hand en tand verzette tegen de Romeinen en door de volgende Bijbeltekst: Ba-Midbar/Numeri 24: 17:'ik kijk in de toekomst: ik zie een gestalte, Hij staat op in Israël, zoals een ster rijst aan de hemel. Hij heerst over het volk van Jacob...'

De Bar-Kochba-oorlog duurde van 132 tot 135 n.d.g.j. Dit eindigde op een grote mislukking en vele duizenden vonden de dood. Velen vluchtten naar Babylonië of Zuid-Israël. Ondanks dat de Joden zich hevig tegen de toch wel wrede Hadrianus verzetten, hadden de Joden even tijd om op adem te komen. Toen zijn opvolger en geadopteerde zoon Titus Aurelius Antonius (Zijn naam werd Antonius Pius 86-161 n.d.g.j.) aan de macht kwam, werden de bloederige decreten van zijn vader opgeheven en de lijken van de verzetsstrijders uit Betar mochten van hem begraven worden.

Enkele rabbi´s van de 4e generatie
Na het verzet keerden veel geleerden terug naar Israël. Het Sanhedrin diende weer opgezet worden. De Nassi werd de zoon van Rabban Gamliëel, Rabbi Sjimon (ben Gamliëel) III. Rabbi Nathan werd de Aw-Beet-dien en Rabbi Meïr werd de Chagam. Meïr betekende verlichtende en het schijnt dat hij zijn naam eer aan deed. Hij bracht kennis en ontwikkeling bij. Deze Rabbi, waarvan men zijn voornaam niet met zekerheid kan vertellen, komt uit een proselietenfamilie. Zijn voorvader was een Romeinse generaal, Nero, en die wilde niets weten van de verovering van Jeruzalem en bekeerde zich tot het Jodendom. Rabbi Meïr was sofeer, een schrijver van heilige boeken. Zijn beroemde citaat is: ´beperk je zakelijke bezigheden en houd je met de Tora bezig´. Pirké Awot 4:12. Deze rabbi bezocht de leerscholen van Rabbi Akiwa en Rabbi Jisjmaëel en paste de 13 interpretatieregels van Rabbi Jisjmaëel toe. Ook voltooide hij de Misjnàh-verzameling van Rabbi Akiwa. De leraar van Rabbi Meïr was Elisja ben Aboeja.

Rabbi Jehoeda ben Ilaï ontwikkelde de basis van de Halachisch commentaar m.b.t. de Sifra. De Sifra is de 3e Tora Boek (Leviticus/ Wa-jiqra [en Hij riep]). Rabbi Sjimon bar Jochai deed dat met de boeken Numeri/Ba-midbar (in de woestijn) en Deuteronomium/Devarim (Woorden). Abba Arecha voltooide deze werken.

De rabbi´s Jehoeda, José (maakte het geschiedkundig werkje Seder Olam. Van de Schepping tot aan de Bar-Kochba-oolog), Sjimon bar Jochai en Jehoeda ben-Geriem bespraken de Romeinse bezetting. De 1 had bewondering voor hun bouwkunsten en de ander zweeg. Rabbi Sjimon bar Jochai had een hele uitgesproken mening (Babylonische Talmoed Sjabbat 33-34, Jeruzalemse Talmoed Sjewie´iet 9:1 en Bereesjiet Rabba 79). Hij riep uit dat de pleinen voor de hoeren werden aangelegd, de bruggen om tol te heffen en badhuizen om heerlijk te genieten. M.a.w. allemaal gebouwd uit eigenbelang. Rabbi Jehoeda ben-Geriem ging na de discussie weg en vertelde Rabbi Sjimons woorden aan iedereen die het maar horen wilde. Zo kwam ook de stadhouder van Judea dit ter ore en wilde Rabbi Sjimon ter dood laten brengen. De rabbi vluchtte met zijn zoon Rabbi Elazar weg en verborg zich in een hol bij het meer van Kinneret (meer van Galilea). Daar heeft hij 13 jaar gewoond en in die tijd zou hij de Sefer ha-Zohar; de kabbalistische verklaring op de Tora, hebben geformuleerd.

Tot slot m.b.t. deze generatie: Rabbi Sjimon ben Gamlieël III heeft geprobeerd van de weer opgebouwde Sanhedrin in Oesja het geestelijk middelpunt van het Jodendom te maken. Hierdoor heeft hij als Nassi, om verdeeldheid te voorkomen, een regel veranderd. De regel luidde: ´wanneer de Nassi de leerschool binnenkomt, moeten alle rijen leerlingen opstaan en zij mogen pas zitten wanneer de Nassi toestemming geeft. Wanneer de Aw-Beet-dien binnenkomt, moet slechts 1 rij leerlingen aan de ene kant en 1 rij leerlingen aan de andere kant opstaan; ze mogen pas weer gaan zitten wanneer de Aw-Beet-dien is gaan zitten. Wanneer de Chagam de leerschool binnenkomt, dan moeten telkens slechts de leerlingen opstaan, die hij, op weg naar zijn plaats, passeert; zij mogen pas weer gaan zitten wanneer de Chagam op zijn plaats is gaan zitten´. (Tosefta Sanhedrien7). Rabbi Sjimon III wilde deze Tosefta (verklaring van de Talmoed) veranderen, omdat hij van mening was dat de eerbetoon tussen deze 3 titels geen verschil mag kennen. Aw-Beet-dien Nathan en Chagam Maïr waren hier helemaal niet mee eens en probeerde een coupe te organiseren, zodat Rabbi Sjimon III weggestuurd zou worden. Rabbi Nathan de Nassi zou worden en Rabbi Maïr de Aw-Beet-dien. Deze coupe is door toedoen van Rabbi Ja´akov ben Kodsjie mislukt. Hij hoorde hen praten en briefde het plan door aan Rabbi Sjimon III. In de 1e instantie stuurde Rabbi Sjimon deze rabbi´s weg, maar verzoende zich met Rabbi Nathan. Met Rabbi Maïr lukte dat niet. Hij emigreerde naar Klein-Azië.

De 5e generatie: 163-200 n.d.g.j.

  1. Rabbi Natan de Babyloniër,
  2. Symmachos/Soemchoes ben Joseef,
  3. Rabbi Jehoeda Hannassi (vorst of patriach): Rabbi,
  4. Rabbi Jose ben Jehoeda (ben Ilaï),
  5. Rabbi Elazar ben Sjimon (bar Jochai),
  6. Rabbi Sjimon ben Elazar, leerling van Rabbi Meïr,
  7. Rabbi Dostai ben Jannai,
  8. Rabbi Sjimon ben Jehoeda,
  9. Rabbi Ja´akov (kleinzoon van Elisja ben Aboeja),
  10. Rabbi Jitschak.

Vriendschap tussen de keizer en Rabbi Jehoeda Hannassi
Rabbi Sjimon III werd door zijn zoon Rabbi Jehoeda (dè ´rabbi´ onder de Joden) Hannassi opgevolgd. Rabbi Jehoeda was bevriend met de opvolger van keizer Titus Aurelius Antonius, Marcus Aurelius Antonius (121-180). De Jodendomvervolging ging toentertijd hevig door onder het bewind van Hadrianus. Joodse wetten zoals het besnijden van pasgeboren Joodse jongetjes was verboden. De vader van Rabbi Jehoeda, Rabbi Sjimon III, besloot toch Jehoeda te laten besnijden, ondanks het strenge verbod van de Romeinse overheersers. De burgermeester van de stad kreeg dit te horen en riep Rabbi Sjimon ter verantwoording, ondanks hij veel respect had voor de rabbi. Door zijn respect kon en wilde de burgemeester de rabbi niet bestraffen en stuurde hem door naar de keizer. Die moest maar beslissen wat er gebeuren moest. Zo gezegd zo gedaan. Rabbi Sjimon nam zijn kind en vrouw mee en ging op weg naar Rome. Onderweg vond dit gezinnetje onderdak bij de ouders van de toekomstige keizer Marcus Aurelius Antonius. De moeders waren vriendinnen en toevallig waren ze beiden van een zoon bevallen. Toen de moeder van de toekomstige keizer hoorde waarom de rabbi en zijn gezin onderweg naar de keizer waren, bood ze aan dat zij haar zoon meenemen en dat Jehoeda bij haar zou blijven. Haar zoon was immers onbesneden. Door deze daad werd Rabbi Sjimon door de keizer ontslagen van rechtsvervolging en de burgermeester kreeg de doodstraf, omdat de keizer van mening was dat de rabbi vals beschuldigd werd. Sindsdien waren de jongetjes boezemvrienden.

Keizer Marcus was een filosoof (stoïcijn) en een goede keizer. Voor de armen was hij een held. Hij heeft de huizenhoge belastingen naar beneden getrokken, stichtte scholen en ziekenhuizen. Hij heeft zijn adoptieve broer Lucius Verus als medekeizer gekroond. In de Tanchoema Mikeets kunnen we lezen hoe een discussie tussen deze 2 vrienden verliepen.
De keizer vroeg aan de rabbi: ´Waarom bidden Joden niet elk uur?´
Rabbi: ´Dat is verboden´.
Keizer: ´Waarom?´
Rabbi: ´Opdat men niet te lichtvaardig voor de Almachtige zal staan´.
De keizer was niet tevreden met het antwoord. Maar de rabbi wilde zijn gelijk hebben en ging heen. Een uurtje later kwam hij terug. De rabbi zei bij binnenkomst van het paleis:
´Gegroet Emperator!´
En toen hij zich bij de keizer voegde, voegde hij eraan toe:
´Vrede zij u, o keizer´.
Keizer: ´Waarom maak je me belachelijk?´
Rabbi: ´Laten uw oren horen, wat uw mond zegt! Hoe is het met u gesteld, een mens van vlees en bloed, indien men u elk uur begroet en naar uw welstand vraag, acht u dit reeds een belediging? Dan geldt toch zeker voor de Koning aller koningen, dat men Hem niet elk uur moet lastigvallen´.

De Rabbi was zowel geestelijk als materieel een vermogen man.

De Misjnàh
Rabbi Jehoeda Hannassi heeft de Mondelinge Leer op schrift gesteld, ondanks het verbod hierop. Het verbod is een exegese n.a.v. Sjemot/Exodus 34:27: De Heer vervolgde: `Schrijf deze grondregels op, want op grond hiervan sluit Ik met jou en met de Israëlieten een verbond.'  De exegese luidt, die we citeren uit ´De echte Tora´van Rev. Evers: ´ Het komt mij (Rabbi Jehoeda bar Nachmami n.a.v. de verklaring van Rabbi Sjemoeël Edels; 16e eeuw te Polen op Baylonische Talmoed Gittien 60a) voor dat de mondelinge overlevering niet opgeschreven mocht worden, omdat iedereen dan zou vertrouwen op de geschriften en zich niet verder zou verdiepen in de onderwerpen van de Mondelinge Leer. Verder is het bijna onmogelijk al het materiaal van de Mondelinge Leer op te schrijven vanwege de enorme omvang. De Mondelinge Leer werd in de 1e instantie niet opgeschreven daar de eerdere geslachten nog in staat waren alles te memoriseren en het niet-opschrijven bevorderde, dat men dagelijks bezig was met de Mondelinge Leer. Iedere geleerde bezat zo een omvangrijke, parate praktijkkennis.´ De grondslag van de Misjnàh van Rabbi Jehoeda Hannassi waren de verzamelingen van Rabbi Akiwa en Rabbi Meïr. Zij werd de geestelijke leidraad de Joodse natie bijeenhield.

Met de Misjnàh sluiten wij het hoofdstuk van de Tannaiem af.

Pagina index:
Copyright © 2003 Jodendom Online
 
 
Contact Zoeken Noachieden Online Beheer
 
Copyright © 2020 Jodendom Online. Alle rechten voorbehouden.